Verhoogde bloeddruk - Zorgverlener

Advies

Het is aan te bevelen om de bloeddruk gestandaardiseerd preconceptioneel te meten en tijdens elke raadpleging in de zwangerschap (KCE/ICSI). Een diastolische bloeddruk van > 90 mmHg wordt als een risicofactor beschouwd (KCE).

Informeer vrouwen met een zwangerschapswens en chronische hypertensie over de risicofactoren voor moeder en kind tijdens de zwangerschap en over de eventuele verandering in medicamenteuze behandeling tijdens de zwangerschap (AJOG). Verwijs door naar een gynaecoloog.


Bij zwangerschapswens meet de zorgverlener de bloeddruk om tijdig hypertensie vast te stellen en/of als uitgangswaarde bij de opvolging van de bloeddruk tijdens de zwangerschap (Domus Medica).
 

Chronische hypertensie
 

Vooraf bestaande, chronische of essentiële hypertensie is een vastgestelde hypertensie voor de zwangerschap, of waarvan de diagnose wordt gesteld voor de 20ste zwangerschapsweek, met systolische bloeddruk ≥140 mmHg en/of diastolische bloeddruk ≥90 mmHg bij vrouwen die geen antihypertensiva nemen. Men spreekt van ernstige hypertensie als de systolische bloeddruk ≥160 mmHg en/of de diastolische bloeddruk ≥110 mmHg is. Hypertensie gediagnosticeerd tijdens de zwangerschap en persisterend in het postpartum, wordt eveneens beschouwd als chronische hypertensie. Zwangerschapshypertensie en preëclampsie komen pas voor na de 20ste zwangerschapsweek (Domus Medica). Vrouwen met langdurige chronische hypertensie moeten preconceptioneel getest worden op ventriculaire hypertrofie, retinopathie en nierziekte (AJOG).

  • Perinatale complicaties

Chronische hypertensie kan tijdens de zwangerschap evolueren tot ernstige hypertensie met mogelijke complicaties zoals solutio placenta, intra-uteriene groeiretardatie, prematuriteit en preëclampsie tot gevolg (Domus Medica, NHG). Vrouwen met hypertensie hebben een kans van 25% om preëclampsie te ontwikkelen. De kans op deze problemen neemt toe met de hoogte van de bloeddruk (NHG). Dit kan ook leiden tot het HELPP-syndroom – een combinatie van hemolyse, verhoogde leverenzymen en trombocytopenie, retroplacentair hematoom, longoedeem, acute nierinsufficiëntie en cerebrovasculair accident. Als een vrouw met hypertensie zwanger is geworden, is preconceptionele en prenatale begeleiding bij de gynaecoloog aangewezen (NHG).
 

  • Behandeling

Gezien de gemiddeld hoge leeftijd van vrouwen met hypertensie is er maar een klein aantal vrouwen die nog een zwangerschapswens heeft en in aanmerking komt voor medicamenteuze behandeling (NHG). Bij het opstarten van een antihypertensieve therapie kiest men voor een bètareceptorblokkeerder en/of laaggedoseerde thiazidediuretica en calciumantagonisten (Domus Medica). Bètablokkers (labetolol, metoprolol of propanolol) en methyldopa hebben de voorkeur (NHG). Voor bètablokkers (labetolol, metoprolol, propranolol) zijn tot nu toe geen aanwijzingen voor teratogeniteit. Methyldopa wordt meestal goed verdragen, is niet teratogeen en is goed onderzocht. Calciumantagonisten (nifedipine of verapamil) zijn onvoldoende onderzocht om in het eerste trimester te gebruiken. Er is wel ervaring met het gebruik ervan in de tweede helft van de zwangerschap (NHG). Diuretica zijn niet teratogeen maar zij kunnen de placentaire doorbloeding verminderen en worden liever niet voorgeschreven bij hypertensie. Triamtereen is een foliumzuurantagonist en dient in het eerste trimester vermeden te worden. Met amiloride bestaat slechts zeer beperkte ervaring. Alleen op strikte indicaties zoals dreigende decompensatie cordis wordt hydrochloorthiazide of furosemide voorgeschreven (NHG).

De meeste antihypertensiva mogen tijdens een eventuele zwangerschap verder worden doorgegeven. Er is geen evidentie dat het ene antihypertensivum beter is dan het andere (Domus Medica).

Omwille van teratogeniciteit wordt er voor ACE-inhibitoren en angiotensine-2-receptorantagonisten geadviseerd om preconceptioneel over te schakelen op een ander antihypertensivum (Domus Medica, NHG). ACE-inhibitoren die gedurende het tweede en het derde trimester genomen worden, veroorzaken mogelijk een groeivertraging, oligohydramnion, foetaal en neonataal nierfalen en neonatale mortaliteit. Er zijn weinig gegevens bekend over de effecten van angiotensinereceptorantagonisten, maar waarschijnlijk hebben ze dezelfde nevenwerkingen als ACE-inhibitoren. Tijdens het eerste trimester zijn geen schadelijke effecten bekend. Een toevallige blootstelling van de foetus aan ACE inhibitoren of angiotensine-2-receptorantagonisten gedurende het eerste trimester van de zwangerschap is dus geen reden tot zwangerschapsonderbreking (Domus Medica).

Vrouwen die geen zwangerschapswens hebben en deze medicatie innemen, moeten geadviseerd worden doeltreffende anticonceptieve maatregelen te nemen (AJOG).

De medicamenteuze behandeling van hypertensie tijdens de zwangerschap geeft geen vermindering van de ongunstige zwangerschapsuitkomsten zoals preëclampsie (NHG). Meestal daalt de bloeddruk aan het begin van een zwangerschap. Het blijkt dat het risico op preëclampsie niet verhoogd is wanneer vrouwen antihypertensiva namen in het eerste trimester (NHG).

Indien de bloeddruk lang genoeg stabiel is, kan de antihypertensieve therapie worden afgebouwd of zelfs stopgezet (Domus Medica). Dit lukt vooral bij jonge hypertensieven bij wie de bloeddruk op punt staan met één geneesmiddel (bloeddruk lager dan 140 mmHg systolisch en 90 mmHg diastolisch) en bij wie ook andere risicofactoren onder controle zijn (Domus Medica, NHG).